Recente artikelen

Begroot de strafrechter de hoogte van het smartengeld anders dan zijn civiele collega?

Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de gelaedeerde, op grond van artikel 6:106 BW, recht op een naar billijkheid vast te stellen bedrag. Dit geldt onder meer als de gelaedeerde lichamelijk letsel opliep, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Door de uitbreiding van de mogelijkheid voor slachtoffers van strafrechtelijk gesanctioneerde gedragingen om de door hen geleden schade te verhalen in het strafrecht, is in de afgelopen jaren een tendens te zien dat het steeds vaker de strafrechter is die de knopen doorhakt in het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Een van deze knopen is de begroting van smartengeld. Hoewel het toetsingskader voor de begroting van het smartengeld voor de civiele en de strafrechter hetzelfde is, zal uit het hiernavolgende (§ 2) blijken dat tot op heden de hoogst toegewezen bedragen in het strafrecht hoger zijn dan in het civiel recht. In deze bijdrage onderzoek ik of er een verklaring is voor het geconstateerde verschil in de hoogst toegewezen bedragen (§ 3). Daarna bespreek ik welke initiatieven er zijn om tot harmonisatie te komen (§ 4). Deze bijdrage sluit ik af met een oproep aan de rechtspraktijk om, vooruitlopend op de uitkomsten van de hiervoor bedoelde initiatieven, het verschil tussen het hoogste in het strafrecht toegewezen bedrag en de hoogste door de civiele rechter toegewezen bedragen weg te nemen (§ 5). Daarbij zie ik een duidelijke rol voor de belangenbehartiger van het gelaedeerde en herhaal ik, ook in deze context, mijn eerdere oproep op het LSA Congres in januari 2023 om ter bevordering van de rechtsontwikkeling niet minder, maar juist meer te procederen in letselschadezaken.

Meer grip op art. 6:101 BW in personenschadezaken

Eigen schuld is een kernleerstuk binnen het aansprakelijkheidsrecht, zo ook binnen het personenschaderecht. Niettemin gaat dit in art. 6:101 BW geregelde leerstuk gebukt onder een zogeheten grabbelton-effect en loterij-karakter: op voorhand is moeilijk in te schatten wélke omstandigheden een rol spelen bij de beoordeling van eigen schuld en evenzo wat vervolgens de uitkomst van de – aan de hand van de eenmaal relevant geachte omstandigheden – te maken afweging zal zijn. Vrij kort na de invoering van art. 6:101 BW in 1992 werd al geklaagd dat deze bepaling in de personenschadepraktijk ‘moeizame’ afwegingen vergt, voor de jurist ‘nauwelijks houvast’ biedt omdat toetsingscriteria ‘ontbreken of op zijn minst uiterst diffuus’ zijn, ‘te veel voor het incasseringsvermogen’ betreft en zelfs ‘niet toepasbaar’ is.

Begroting van smartengeld in beweging, de beslissende rol van de rechtspraak

In 1959 verscheen de eerste tabel van rechterlijke uitspraken over (de hoogte van) smartengeld in Verkeersrecht.1) In dat nummer lichtte de Delftse advocaat Th. L. van der Veen zijn eerste pogingen toe vanuit de gedachte dat bekendheid met andere uitspraken zowel voor rechters als voor partijen bij hun onderhandelingen kan bijdragen aan het vinden van een antwoord op de vraag wat in voorkomend geval een juist bedrag zou zijn.2) Het betrof een eenvoudige lijst van bijna 120 grotendeels niet gepubliceerde uitspraken met een rubricering naar letsel verdeeld over een 10-tal categorieën, vermelding van een aantal maatschappelijke omstandigheden (arbeidsongeschiktheid, ziekenhuisopname) en steeds vermelding van het beroep van het slachtoffer. Vijf jaar later verscheen de tweede, aanzienlijk langere lijst van circa 250 uitspraken waarvan een groot deel inmiddels gepubliceerd.3)